stengel
mannelijk (de)/ˈstɛŋəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- langgerekt en stevig orgaan van een vaatplant dat water en voedingstoffen vervoertDe stengel kan rond, hoekig en geribd, gevleugeld, glad, hol of gevuld zijn.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘deel van een plant’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Vertalingen
Engelsstem, stalk
DuitsStängel
Spaanstallo, tallo herbáceo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek