Steiger
mannelijk (de)/ˈstɛiɣər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (waterbeheer), (scheepvaart) een vaak houten constructie die het water insteekt en waaraan een boot kan afmerenHet jacht ligt nu veilig aan de steiger afgemeerd.Nu moet je ook een lepel pakken, denk eraan dat je eigenlijk een visserszoon bent'Een uur later stonden ze samen bij de steiger in een wolk van krijsende meeuwen en maakten de kabeljauw schoon en deden hun best om de mooiste filets te snijden.
- (bouwkunde) een tijdelijke constructie van palen en werkplateaus die bouwvakkers een werkvloer verschaffen bij bouw- en onderhoudswerkMet een bouwlift brengt men de bouwmaterialen op de steiger.
Etymologie
* In de betekenis van ‘aanlegplaats, stelling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1270
Uitdrukkingen
- [2] In de steigers staan.
- Nog in staat van ontwikkeling zijn.
Vertalingen
Engelsjetty, scaffolding
Fransponton, échafaudage
DuitsAnleger, Bootssteg, Gerüst
Spaansandamio
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek