steekkar

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈstekɑr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tweewielig wagentje met twee hoog geplaatste handvatten die verbonden zijn met een kort, plat laadvlak dat in stilstand op de grond rust en dan eenvoudig onder lading kan worden geschoven; hierna kan het geheel door de handvatten gemakkelijk worden gekanteld en weggereden
    Na enkele maanden ministerschap eiste Jos van Kemenade (Onderwijs, PvdA) in 1973 inzage in alle brieven die in zijn naam de deur van het ministerie uitgingen. De volgende dag reed een bode een steekkar voor zijn kamerdeur, met vijf grote dozen.