stamelen
Betekenis
werkwoord
- (ov) onsamenhangend en onzeker spreken"Maar,..maar, hoe..hoe kan dat?", stamelde hij geschokt.Hij boog heel diep en stamelde: 'Ik zal het nooit vergeten Majesteit. Dank u hartelijk voor de hulp.' {{Aut|Herzen, Frank
Etymologie
* In de betekenis van ‘gebrekkig spreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelsstammer
Fransbalbutier, bafouiller
Duitsstammeln
Spaansbalbucear, tartamudear
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek