staartriem

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. riem die het vooruitglijden van het zadel voorkomt; riem waar de staart van het paard doorgaat
    De voerman op zijn bastschoenen rende hijgend naar zijn kar, schoof een steen onder de onbeslagen achterwielen en begon de staartriem van zijn tot staan gekomen paardje recht te trekken.

Vertalingen

Engelscrupper