spuiter

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die spuit (brandweerman, gifspuiter in de landbouw, verfspuiter, drugsgebruiker) door de laatste betekenis heeft een een wat negatieve betekenis gekregen
    De foto's van alles wat zich hier nu voltrok. Van iedereen die kreunde, hijgde, drilde, lilde, schudde en schreeuwde. Van al die zweters, soppers, spuiters om ons heen. Het enige dat dit tafereel onderscheidde van de foto's was het gebrek aan gebalkte ogen. {{Aut|Verdonschot, Leon
    De Polen werken bij tal van bedrijven in Twente, als lasser, montagemedewerker, staalbouwmonteur of spuiter.Tubantia Bert Hellegers 31-JULI-2017
  2. iets dat spuit zoals een fontein
    Het bestaande beeldhouwwerk met de vissen en de schelpen rond de spuiters werd behouden. Het waterbassin kreeg een nieuwe waterafdichting en ook de ondergrondse kanalisaties, de sproeikoppen en de volledige technische installatie werden vernieuwd. Na de werken kreeg de fontein nog een behandeling tegen graffiti en de lichten werden vervangen door ledlampen.de Standaard 09/05/2017 door edm
  3. oliebron waar de olie onder hoge druk naar boven komt via het boorgat

Etymologie

*afgeleid van spuiten

Vertalingen

Engelsjunkie