spuit

mannelijk/vrouwelijk (de)/spœy̯t/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. nauwe buis bedoeld om onder druk een vloeistof eruit naar buiten te laten schieten.
    Uit die spuit kwam alleen maar modder.
  2. voornamelijk verkleinwoord: een injectie.
    Ze hebben de hond een spuitje gegeven.
  3. injectiespuit

Vertalingen

Engelsnozzle, syringe
Spaansmanga, inyector