spruw
mannelijk/vrouwelijk (de)/spryw/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) door een infectie met de gist Candida albicans veroorzaakte hardnekkige witte uitslag op de lippen, de tong en het mondslijmvliesSpruw zorgt voor witte plekken in de mond van baby’s, variërend van slechts enkele witte puntjes op de tong tot een volledig witte tong en soms zelfs een witte binnenkant van de wangen, het gehemelte en de lippen. Spruw is niet zeldzaam: het komt bij bijna 5% van de baby’s onder de zes weken voor.
Etymologie
*, uit de oudere vorm "sprouw", in de betekenis van ‘slijmvliesontsteking’ aangetroffen vanaf 1557
Vertalingen
Engelsthrush
Fransmuguet
DuitsSoor
Spaanssapito, algodoncillo
Italiaansmughetto
Portugeessapinhos
Poolspleśniawka
Zweedstorsk
Deenstrøske
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek