sprokkelhout

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dode takken die men van de grond kan rapen en die men kan gebruiken voor het stoken van een (kamp)vuur
    Soldaten in uniformjassen stonden in het gelid en een sergeant-majoor en een compagniecommandant telden de mannen, tikten met een vinger de laatste soldaat van een afdeling op de borst en lieten die de hand opsteken; over het terrein verspreide soldaten sleepten brandhout en sprokkelhout aan en bouwden onder vrolijk gelach en gepraat hutten; bij de kampvuren zaten geklede en ongeklede mannen hun hemden en beenwindsels te drogen of hun laarzen en jassen te repareren, en bij de ketels en de koks was het een gedrang.

Vertalingen

Engelskindling, brushwood, down timber