sprinten

/ˈsprɪntə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) een kort stuk hard rennen
    Er werd die middag niet gesprint omdat het hard regende.
  2. erga (erga) een kort stuk hard ergens heen rennen
    Hij sprintte naar de overkant.

Etymologie

* afleiding van sprint

Vertalingen

Spaanscorrer, embalar, embalarse