sprinten
/ˈsprɪntə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) een kort stuk hard rennenEr werd die middag niet gesprint omdat het hard regende.
- (erga) een kort stuk hard ergens heen rennenHij sprintte naar de overkant.
Etymologie
* afleiding van sprint
Vertalingen
Spaanscorrer, embalar, embalarse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek