springplank
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsprɪŋplɑŋk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- verende plank waar vanaf je je kunt afzetten om een sprong te makenHij nam een aanloop, sprong op de springplank en maakte daarna zijn oefening op het turntoestel.
- uitvalsbasisHet zomerhuisje diende als springplank voor tochtjes door het mooie berglandschap.
- iets wat dient om hogerop te komen in de maatschappijDeze baan was een goede springplank om directeur te worden.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek