springen

/ˈsprɪŋə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken in een bepaalde richting
    Hij sprong over de greppel.
    Een voorbeeld: wij moesten in de gymzaal over een leren bok springen en de leraar ving ons dan op aan de andere kant, zodat we niet op de harde vloer zouden vallen.
    Eroverheen springen leek mij ook geen goed idee.
  2. inerg (inerg) na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken
    Er werd gesprongen en gerend.
    Want ieder jaar gaat er een nieuw Pietje mee, klein genoeg om door de schoorstenen te roetsjen en handig in klauteren en springen.
  3. erga (erga) traanvocht veroorzaken
    De tranen sprongen hem in de ogen.
  4. erga (erga) plotseling breken of uit elkaar barsten
    Door aanraking met de vlam sprong het glas in duizend stukken.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zich in de lucht verheffen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • een gat in de lucht springen
  • Hoog en laag springenOp allerlei manieren proberen iets te bereiken, echter zonder dat het lukt
  • In de gaten springen
  • Ergens om staan te springenIets heel graag willen

Vertalingen

Engelsjump
Franssauter
Duitsspringen, einspringen
Spaanssaltar, brincar
Italiaanssaltare
Portugeessaltar