springen
/ˈsprɪŋə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht maken in een bepaalde richtingHij sprong over de greppel.Een voorbeeld: wij moesten in de gymzaal over een leren bok springen en de leraar ving ons dan op aan de andere kant, zodat we niet op de harde vloer zouden vallen.Eroverheen springen leek mij ook geen goed idee.
- (inerg) na zich tegen de zwaartekracht afgezet te hebben een korte vrije val door de lucht makenEr werd gesprongen en gerend.Want ieder jaar gaat er een nieuw Pietje mee, klein genoeg om door de schoorstenen te roetsjen en handig in klauteren en springen.
- (erga) traanvocht veroorzakenDe tranen sprongen hem in de ogen.
- (erga) plotseling breken of uit elkaar barstenDoor aanraking met de vlam sprong het glas in duizend stukken.
Etymologie
* In de betekenis van ‘zich in de lucht verheffen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- een gat in de lucht springen
- Hoog en laag springen — Op allerlei manieren proberen iets te bereiken, echter zonder dat het lukt
- In de gaten springen
- Ergens om staan te springen — Iets heel graag willen
Vertalingen
Engelsjump
Franssauter
Duitsspringen, einspringen
Spaanssaltar, brincar
Italiaanssaltare
Portugeessaltar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek