spreekwijze

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsprekwɛizə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. manier van spreken; de manier van uitdrukken
    Hij was opgestaan, want de winkelschel was overgegaan en zei voor hij ging: 'je kent onze spreekwijze toch?' Er was familie op bezoek gekomen; tante sprak altijd of ze de tijd had en lachte onverwacht.
  2. spreekwoord, gezegde, uitdrukking