Spoorweg
mannelijk (de)/ˈsporwɛx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (spoorwegen) pad dat middels de aanleg van rails en bielzen geschikt gemaakt is voor treinvervoerHet Grand Hotel was al in 1893 klaar, het sanatorium tien jaar later, aan de zuidkant van de spoorweg werden grote villa's gebouwd, de huizen van de arbeiders kwamen aan de noordkant.
Etymologie
*, leenvertaling van "railroad"
Vertalingen
Engelsrailway
Franschemin de fer
DuitsEisenbahn
Spaansferrocarril
Italiaansferrovia
Portugeescaminhos-de-ferro
Russischжелезная дорога
Chinees铁路
Japans鉄道
Koreaans철도
Arabischسكة حديد
Turksdemiryolu
Poolskolej
Zweedsjärnväg
Deensjernbane
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek