spook

onzijdig (het)/spok/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mythologie (mythologie) een veronderstelde geestverschijning die een bepaald gebouw of andere locatie onveilig maakt
    In dit kasteel is regelmatig een spook waar te nemen.
  2. figuurlijk, pejoratief (figuurlijk), (pejoratief) een vervelend persoon
    Wat een verwend spook is dat!
  3. figuurlijk (figuurlijk) doembeeld, schrikbeeld
    Het spook van een recessie.

Etymologie

*van Middelnederlands "spoke", in de betekenis van ‘bovennatuurlijke verschijning’ aangetroffen vanaf 1477

Vertalingen

Engelsghost
DuitsGespenst
Spaansfantasma
Italiaansfantasma, spettro
Russischпривидение
Zweedsspöke, vålnad