spleet
mannelijk/vrouwelijk (de)/splet/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- langgerekte nauwe en betrekkelijk diepe opening, meest langs een nerf of snedeDe vogel gebruikte de spleet in de boomstam om er een nest te bouwen.
- (anatomie), (eufemisme) "vagina"
Etymologie
* In de betekenis van ‘kier’ voor het eerst aangetroffen in 1342
Vertalingen
Engelscrack, crevice
Spaansgrieta, hendedura, hendidura
Deensspalte
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek