spinnenbeet

mannelijk (de)/ˈspɪnə(n)ˌbet/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. greep door de kaken van een geleedpotig dier met acht poten uit de orde of verwonding die door die greep is ontstaan
    Hij danst de Tarantella, die, zo dacht men vroeger, bescherming bood tegen een spinnenbeet, en hij bezoekt de exorbitante paasviering in Nocera, waarbij mensen zich tot bloedens toe verwonden.