spijten

/ˈspeɪtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. onpr (onpr) berouw veroorzaken
    Het speet hem dat hij de verjaardag van zijn vrouw niet bij kon wonen.
  2. ov, verouderd (ov) (verouderd) ergernis bezorgen, boos of verdrietig maken
    Mijne stellige weigering en de begeesterde woorden, welke ik ertoe bezigde, schenen hem te spijten; (…)

Etymologie

*van Middelnederlands "spiten", op te vatten als afgeleid van "spijt"

Vertalingen

Engelsregret, feel sorry
DuitsLeid tun
Spaansdoler, sentirlo
Poolsżałować