speelgoed

onzijdig (het)/ˈspelɣut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. speelgoed (speelgoed) één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
    Door de brand was ook al het speelgoed van de kinderen verloren gegaan.
    Maar terwijl die Pieten speelgoed maken, pepernoten bakken en alles klaarmaken voor de volgende reis naar Holland, trekt Sinterklaas op zijn paard door de hoge Spaanse bergen, op zoek naar een nieuw Pietje.
    Dat kinderen niet veel geld hebben, is volgens haar niet heel belangrijk voor adverteerders. "Ook kinderen kopen producten, zoals speelgoed of snoep. Daarnaast vragen ze hun ouders om producten. Uit onderzoek blijkt bovendien dat kinderen invloed hebben op welke auto hun ouders kopen en welke vakanties worden geboekt."

Vertalingen

Engelstoy
Fransjouet, joujou
Spaansjuguete, juguetes
Italiaansgiocattolo
Japans玩具
Poolszabawka