speaker
mannelijk (de)/ˈspikər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (politiek) omroeper, voorzitter Angelsaksich parlementDe speaker vroeg herhaaldelijk om stilte toen de parlementariërs luid door elkaar aan het praten waren.
- (elektronica) een apparaat dat een elektrisch signaal omzet naar geluidHij had twee grote speakers in zijn huiskamer.
Etymologie
uit het Engels to speak
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek