spatten

/ˈspɑtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. in kleine druppeltjes neervallen of uit elkaar bewegen
    Het bloed spat op mijn trui.
  2. kleine druppeltjes uit elkaar laten vliegen
    De kraan spat alle kanten op.
  3. iets of iemand nat maken door er vocht heen te gooien of te trappen
    Zij spatte de champagne over de gasten.

Etymologie

* In de betekenis van ‘in kleine deeltjes (doen) rondvliegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1642

Vertalingen

Engelssplatter, splash
Franséclabousser
Duitsspritzen, plätschen
Spaanssalpicar