sparen

/ˈsparə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) geld niet uitgeven
    Ik ben aan het sparen voor een nieuwe motor.
    Hij had jaren gespaard om de PCT te kunnen lopen en – ook al miste hij zijn dochter – niks kon hem tegenhouden om Canada te bereiken.
    Na een jaar lang plannen, lezen, onderzoeken, sparen en trainen ging mijn avontuur eindelijk beginnen, hoewel ik eigenlijk geen idee had waar ik aan begon.
  2. ov (ov) iets verzamelen
    Spaar jij postzegels?
  3. ontzien, niet straffen of geweld aandoen
    Bij die ramp bleef weinig gespaard.
    Maar Duitsland spaarde hen en liet hen ongestoord naar hun eiland vliegen om hun wonden te likken.

Etymologie

* In de betekenis van ‘bewaren’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • De kool en de geit sparenEen oplossing vinden waar beide partijen tevreden mee kunnen zijn
  • Je kan niet de kool en de geit sparenje moet keuzes maken
  • Lang vasten is geen brood sparen
  • het eten uit de mond sparenjezelf iets belangrijks ontzeggen om het aan iets of iemand anders te kunnen geven

Vertalingen

Engelssave, put aside, collect
Franscapitaliser, économiser, épargner
Duitssparen
Spaansahorrar, economizar, escatimar
Italiaansrisparmiare
Russischэкономить
Poolsoszczędzać, zbierać