spar

mannelijk (de)/spɑr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) paal, rechte, dunne stam, vooral als onderdeel van een dak
  2. coniferen (coniferen) benaming voor een naaldboom uit het geslacht
    Maar het lijkt er ook op dat zich daar de bevrijding aandient. Een strakblauwe hemel domineert in het blikveld, het is alsof de sparren respectvol uit zicht blijven.

Etymologie

*[2] afgeleid van [1]: boom waaruit een spar gemaakt kan worden, mogelijk een (verkorting) van sparrenboom

Vertalingen

Engelsspruce, fir
Fransépicéa
DuitsFichte
Spaansabeto
Italiaanspicea
Portugeesabeto
Russischпихта
Poolsświerk
Zweedsgran
Deensgran