sores
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsorəs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- verdriet, zorgenKon hij dan nooit iets goed doen? Zou ie dan altijd een schlemiel blijven? Hij zag z'n vader al met 'n van drift rooden kop. En ze waren tehuis toch al zoo arm. Z'n moeder zou 'm een lijst presenteeren van al hun zorgen en al hun sores en hem vertellen, hoe dat gemiste kippengeld hen in den afgrond wipte..
Etymologie
*, via Bargoens uit het "צרות" (tsores) “zorgen, narigheden” (Hebreeuws "צָרָה" (tsara) “benauwenis”), in de betekenis van ‘zorgen’ voor het eerst aangetroffen in 1906.
Vertalingen
Engelstsuris
DuitsZores
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek