sopropo

mannelijk/vrouwelijk (de)/soˈpropo/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort tropische klimplant
    Van de zeshonderd tuintjes is nu zo’n 70 procent bebouwd met sopropo, antroewa, bitawiri – groenten waarvan Van Zwet nog nooit had gehoord.
  2. voeding (voeding) augurkvormige vrucht van
    Alle groenten die je wilt, je kunt ze overal in Amsterdam krijgen. Maar de laos, de klaroen, de sopropo – je próéft dat het niet uit Suriname komt.

Etymologie

*van "sopropo" dat vermoedelijk teruggaat op "sɔprɔpɔ"