soppen
/ˈsɔpə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) voedsel in een drank dopenHij zat een beschuitje in zijn koffie te soppen.
- (ov) met sop schoonmakenIk heb de hele vrijdag besteed aan het grondig soppen van m'n huis.
- (inerg) (bij het kaartspel tachtigen) moedwillig een hoge kaart niet spelenEr wordt weer eens flink gesopt.
- (inerg) geslachtsgemeenschap hebben
Etymologie
*: "sop" met de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek