soppen

/ˈsɔpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) voedsel in een drank dopen
    Hij zat een beschuitje in zijn koffie te soppen.
  2. ov (ov) met sop schoonmaken
    Ik heb de hele vrijdag besteed aan het grondig soppen van m'n huis.
  3. inerg (inerg) (bij het kaartspel tachtigen) moedwillig een hoge kaart niet spelen
    Er wordt weer eens flink gesopt.
  4. inerg (inerg) geslachtsgemeenschap hebben

Etymologie

*: "sop" met de uitgang -en