sonoriteit

vrouwelijk (de)/ˌsonoriˈtɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. met een volle, heldere, welluidende klank
    De durf is volkomen terecht. Dit is volwassen strijkkwartetspel vol eigenheid, intens muzikaal, organisch en met een sonoriteit die wordt gezocht in pure zuiverheid, niet in een opgepoetst vibrato. De Telegraaf THIEMO WIND 25 mrt. 2013 [https://www.telegraaf.nl/lifestyle/1123170/ragazze-kwartet-vivere Ragazze Kwartet – 'Vivere']
    Uniek is dat alle werken op één instrument gespeeld worden. Is dat een voordeel? Het Verschuerenorgel, als stijlkopie van Silbermann enig in zijn soort in Nederland, is met 2 klavieren en slechts 34 stemmen een bescheiden instrument. Maar wat een karakter en sonoriteit levert ieder afzonderlijk register! Reformatorisch Dagblad Piet van de Wege 09-11-2016 [https://www.rd.nl/muziek/recensie-cor-ardesch-diepe-inkijk-in-bach-s-orgeloeuvre-1.1280771 Recensie Cor Ardesch: Diepe inkijk in Bach’s orgeloeuvre]
  2. begrip in de fonologie

Etymologie

* afleiding van sonoor

Vertalingen

Engelssonority