snuiten

/ˈsnœytə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door beurtelings de neus samen te knijpen en door de neus te blazen slijm uit de neusholte verwijderen
  2. het inkorten van de lont van een brandende kaars om het walmen te beperken
werkwoord
  1. ov, bouwkunde (ov) (bouwkunde) een uitstekende scherpe hoek wegnemen, afsnuiten

Vertalingen

Engelsblow one's nose
Fransmoucher
Duitsschnäuzen, schnäuzen
Spaanssonarse