Snoek
mannelijk (de)/snuk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (straalvinnigen) bepaald soort roofvis die in zoete wateren voorkomt,
- een figuur uit de acrobatiek, nl. de positie van de bovenpersoon wanneer deze horizontaal op de handen van een staande of voeten van een liggende onderpersoon ligt. (bv. de hoge of de lage snoek)
Etymologie
*van Middelnederlands "snoec", in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in 1286
Vertalingen
Engelsnorthern pike
Fransbrochet
DuitsHecht
Spaanslucio
Italiaansluccio
Portugeeslúcio
Russischщука
Poolsszczupak
Zweedsgädda
Deensgedde
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek