sneeuwgors

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) een zangvogel uit de familie van de
    De sneeuwgors broedt op de toendra van het hoge noorden, maar is 's winters soms aan de Vlaamse of Nederlandse kust waar te nemen.

Vertalingen

Engelssnow bunting
Fransbruant des neiges, plectrophane des neiges