sneeuwbal

mannelijk (de)/ˈsnewbɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een tot een bal samengepakte hoeveelheid sneeuw, vaak bedoeld voor een speels sneeuwballengevecht of sneeuwpop
    Zij gooide de sneeuwbal van twintig meter afstand recht in zijn gezicht.
  2. bloemplanten (bloemplanten) kamperfoelieachtige heester
  3. methode van verkoop, collecte enz., waarbij steeds één persoon anderen stimuleert ook mee te doen

Vertalingen

Engelssnowball, smooth hydrangea
Fransboule de neige
DuitsSchneeball
Spaansbola de nieve, barbadejo, viburno
Poolshortensja krzewiasta
Zweedssnöboll