snavel
mannelijk (de)/ˈsnavəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bek van een vogel of schildpadDe snavel van de kluut buigt enigszins omhoog.
- (dysfemisme), (anatomie) mond v.e. mensHou toch eens je snavel!
Etymologie
*van Middelnederlands """ "snuit", in de betekenis van ‘vogelbek’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Vertalingen
Engelsbill, beak
Fransbec
DuitsSchnabel
Spaanspico
Italiaansbecco
Chinees喙
Japansくちばし
Arabischمنقار
Poolsdziób
Zweedsnäbb
Deensnæb
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek