snack

mannelijk (de)/snɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) een hartig hapje of tussendoortje
    Ik heb geen zin om te gaan koken, dus we gaan vandaag dan maar snacks eten.
    Zo zat er in elke doos ontbijt, lunch en avondeten, maar ook al mijn snacks, repen en noten voor onderweg en papieren landkaarten voor de volgende etappe, nieuw wc-papier en om de 700 kilometer een paar nieuwe schoenen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘hartig hapje’ voor het eerst aangetroffen in 1964.