snabbelen
/ˈsnɑbələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (voeding) als snack etenBij het biertje ook nog wat om te snabbelen ernaast.Hij had honger. Ik maakte iets te snabbelen.
- (inerg) (dierengeluid) luid kwekken
- (inerg) opgewekt praten over zaken van weinig belangZonder een vin te verroeren was ze tussen die snabbelende en babbelende cafégangers een schoolvoorbeeld van aanstootgevend gedrag.
- (inerg) snel maar onverstaanbaar spreken
Etymologie
*[2], [3], [4] van Middelnederlands """, op te vatten als (freqtt) van "snabben"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek