smoren

/ˈsmorə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iemand of iets het ademen beletten
    Volgens de officier van justitie heeft N. de Duitse studente met een mes gestoken, op bed gegooid en gesmoord met een kussen tot zij was overleden.
  2. ov (ov) onderdrukken
  3. ov, kookkunst (ov), (kookkunst) iets in enig vet aanbraden, vervolgens vocht toevoegen en afdekken om het zachtjes gaar te laten worden
    We hebben lamsvlees gesmoord met witte wijn en paddenstoelen.
  4. inerg, kookkunst (inerg), (kookkunst) het door middel van smoren gaar worden van voedingsmiddelen
    Het vlees moet smoren en niet koken.
  5. techniek (techniek) rood aardewerk, door gebrek aan zuurstof in de oven, grijs kleuren
    De gesmoorde dakpannen waren niet meer leverbaar.
  6. wiet roken, blowen
    Je hebt goede wiet en bespoten wiet en wat wij hier smoren, is meestal bespoten en dus ongezond.

Etymologie

* van Middelnederlands "smoren", van Protogermaans *smurōną ; in de betekenis van ‘verstikken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287

Uitdrukkingen

  • Iets schadelijks al bij het begin onderdrukken.
  • Iemand het zelf laten uitzoeken.

Vertalingen

Engelschoke, smother, suffocate
Fransétouffer, suffoquer, braiser
Duitsersticken, erdrosseln, erwürgen
Italiaanssoffocare
Russischдушить, давить, душить
Poolsdusić