smoezeligheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate van vuil of smerig zijn
    Alleen in de knoppen waarmee alle bomen als met was waren bedropen, had zich iets overtolligs en rommeligs genesteld, een soort smoezeligheid of zwelling, en dat overtollige, dat rommelige en smoezelige was het leven, dat met een groene vlam van gebladerte de eerste uitgelopen bomen in het bos omgaf.
    Even verder op de wandeling, een enkele hoek om, is het schrikken om de vrouw die daar ligt in haar smoezeligheid: Derelict Woman, een heel confronterend sculptuur van Duane Hanson uit 1973.
  2. iets dat vuil of smerig is

Etymologie

* afleiding van smoezelig