smakken

/ˈsmɑkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. smijten, krachtig neergooien
    De jongens smakten hun fietsen op de grond.
  2. neervallen zonder dat de val gebroken wordt
    Bij de botsing smakte de voetganger tegen een paaltje.
  3. een klappend geluid met de mond maken bij gretig eten of zoenen
    De maaltijd was zo lekker, dat de jongens hem smakkend verorberden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘smijten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1450