smaken

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. intr, onpr, voeding, drinken (intr), (onpr), (voeding), (drinken) een bepaalde smaak hebben
    Deze rode wijn smaakt voortreffelijk bij vleesgerechten.
    Nog nooit smaakte spaghetti zo goed.
    Bah, wat smaakt dat vies!
  2. intr, onpr, voeding, drinken, pregnant (intr), (onpr), (voeding), (drinken), (pregnant) een aangename, goede smaak hebben
    Smaakt het?
  3. intr, figuurlijk (intr) met meewerkend voorwerp, (figuurlijk) aanstaan [1], behagen, bevallen [1]
    Dit voorstel smaakte hun niet.
  4. ov, voeding, drinken (ov) (voeding), (drinken) nuttigen, proeven
  5. ov, figuurlijk (ov), (figuurlijk) genieten van
    Gij zult een overgrote wellust smaken.
  6. ov, figuurlijk, verouderd (ov), (figuurlijk), (verouderd) ervaren, ondergaan, ondervinden

Uitdrukkingen

  • Naar meer smakenZo goed bevallen, dat je er meer van wilt
  • Nergens naar smakenEen vieze smaak hebben