smaken
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (intr), (onpr), (voeding), (drinken) een bepaalde smaak hebbenDeze rode wijn smaakt voortreffelijk bij vleesgerechten.Nog nooit smaakte spaghetti zo goed.Bah, wat smaakt dat vies!
- (intr), (onpr), (voeding), (drinken), (pregnant) een aangename, goede smaak hebbenSmaakt het?
- (intr) met meewerkend voorwerp, (figuurlijk) aanstaan [1], behagen, bevallen [1]Dit voorstel smaakte hun niet.
- (ov) (voeding), (drinken) nuttigen, proeven
- (ov), (figuurlijk) genieten vanGij zult een overgrote wellust smaken.
- (ov), (figuurlijk), (verouderd) ervaren, ondergaan, ondervinden
Uitdrukkingen
- Naar meer smaken — Zo goed bevallen, dat je er meer van wilt
- Nergens naar smaken — Een vieze smaak hebben
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek