smaak
mannelijk (de)/smak/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding), (drinken) zintuig waarmee men mee proeft'Maar nu zie ik dat Brandt bij zijn keuze van een echtgenote evenveel smaak heeft als op andere gebieden.
- (voeding), (drinken) gewaarwording bij het proeven van eten en drankHet duurde even voordat ik de smaak kon plaatsen.
- (figuurlijk) bepaalde subjectieve voorkeurDat is niet naar mijn smaak.' 'Misschien hield hij niet van de smaak van magere meisjes,' zei Isaac.
Etymologie
* In de betekenis van ‘zintuig om te proeven’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Uitdrukkingen
- De smaak te pakken hebben — Ergens enthousiast over raken, iets aangenaam vinden en er daarom meer van willen
- Er zit kraak noch smaak aan — (Van iets eetbaars) Het smaakt niet
- In de smaak vallen — aanslaan [4], bevallen [1]
- Kraak noch smaak hebben — (Van iets eetbaars) Niet smaken, geen smaak hebben
- Over smaak valt niet te twisten. — Iedereen heeft zijn eigen persoonlijke voorkeur
- Smaken verschillen. — Iedereen heeft zijn eigen persoonlijke voorkeur
Vertalingen
Engelstastebud, taste, taste
Fransgout, gout, gout
Spaanssabor, sazón, gusto
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek