slufter

mannelijk (de)/ˈslʏftər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) geul aan een kust of oever of in een vaarwater
    Wie 's zomers langs de oever van het Zwin loopt - de slufter die de grens vormt tussen Nederland en België - ziet twee soorten badgasten.
  2. ecologie (ecologie) lager gelegen gebied tussen de duinen door dat bij zeer hoog water onderloopt
    De Kaloot is een klassiek geval: een flinter strand met een stukje opgespoten duin en een nieuw aangelegd zoutwatermeertje in een industrieel decor. Rijkswaterstaat heeft er een bord naast gezet: „Dergelijke gebieden, die we slufters noemen, zijn erg zeldzaam in Europa.”
  3. waterbeheer (waterbeheer) plaats waar opgebaggerd slib wordt opgeslagen
    Honderden dagjesmensen kwamen naar het strand bij de slufter op de Maasvlakte om te zien hoe drie sleepboten het 244 meter lange schip in beweging probeerden te krijgen.

Etymologie

*van Middelnederlands en "sluchter", cognaat met slop en sluipen