slok

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een mondvol vloeistof die ingeslikt wordt
    Hij nam een slok uit zijn veldfles.
    Ze neemt nog een grote slok van haar rode wijn.
    Op 10 juli 2019 bereikt la belle fille op haar racefiets zwoegend de top. Ze zou net als haar voorgangers uit de 17de eeuw ook wel een frisse duik willen nemen, maar voorlopig volstaan gulzige slokken uit haar bidon.

Etymologie

* van slikken

Uitdrukkingen

  • een slok op een borreleen aanzienlijk verschil

Vertalingen

Engelsswig, sip
Russischглоток