slikken

/ˈslɪkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) de mondinhoud de slokdarm doen afdalen
    Hij slikte veel vitaminetabletten.
    Uren gingen voorbij en al had ik geen mushrooms geslikt, toch voelde ik me high en als in een trance betoverd door alles wat ik om me heen zag.
  2. ov (ov) overdrachtelijk: iets lijdzaam aanvaarden
    Hij heeft deze vernedering zonder meer geslikt.

Etymologie

* In de betekenis van ‘door het keelgat doen gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1351

Vertalingen

Engelsswallow, swallow
Fransavaler
Duitsschlucken
Spaanstragar, deglutir
Poolspołykać
Deenssluge