slik
mannelijk (de)/slɪk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- handeling van het slikken
- (Surinaams-Nederlands) trekje aan een sigaret
zelfstandig naamwoord
- (waterbeheer) zachte klei of buitendijks gebied bestaande daaruitHij zat helemaal onder het slik.
- (waterbeheer) natte aangeslibde grond
Etymologie
*[B] van Middelnederlands "slic", in de betekenis van ‘modder’ aangetroffen vanaf 1212
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek