slijm

/slɛim/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleverige stof die door slijmvliezen uitgescheiden wordt
    Slijm is van groot belang bij het innemen van voedsel.
  2. kleverige vloeistof
    ‘Noem jij dat water? Het lijkt wel slijm!’ gromde hij.
    Het water moest al heel lang niet gebruikt zijn, want het was bedekt met een dikke laag slijm en er steeg een smerige stank uit op nadat ik het had omgewoeld.

Etymologie

*van Middelnederlands """, in de betekenis van ‘kleverig vocht’ aangetroffen vanaf 1287

Vertalingen

Engelsmucus
Fransglaire
DuitsSchleim
Spaansmoco
Italiaansmuco
Portugeesmuco
Russischслизь
Poolsśluz, wydzielina
Deensslim