slepen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (ov) trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsenDe panter sleepte zijn prooi naar een boom en hees de antilope op een tak.Ze sleepten zelfs een oud matras vijf kilometer met zich mee.
- (refl) zich ~ moeizaam voortbewegenDe verwonde voetganger sleepte zich naar de kant van de weg.
Etymologie
* In de betekenis van ‘voorttrekken’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Uitdrukkingen
- iets in de wacht slepen — iets bemachtigen
Vertalingen
Engelsdrag, tow
Duitsschleifen, schleppen, bekommen
Spaansarrastrar, atoar, halar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek