sleedoren

mannelijk (de)/ˈsledorə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bloemplanten (bloemplanten) bepaald soort plant met blauwe vruchten, uit de rozenfamilie
    Het akkerland ligt hoger dan de beemden, en tussen de twee staat de brede houtkant van braam- en sleedorens, van varens, brem, geitenblad en wilde hop, waarvan de vezelige ranken en warrige stengels als pezen door elkaar verstrengelen en er een ondoordringbare muur tussen veld en weide van maken.
    De sleedoren wordt in veel provincies van Nederland aan de kanten van de akkers en bij de wegen bij de hagedoren overvloedig genoeg gevonden.

Etymologie

*, zie verder sleedoorn