slaschaal

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huishouden (huishouden) kom waarin men een salade kan mengen en/of opdienen
    Schil de aardperen en snijd ze in ragdunne plakjes. Meng in een slaschaal met de postelein, de witlofblaadjes en de walnoten. Maak aan met een dressing van citroen, olie, zout en peper. Bestrooi de salade met vlokken parmezaanse kaas. Het Parool 26 FEBRUARI 2011 [https://www.parool.nl/stadsgids/thuiseten-een-goudeerlijk-soepje~a1851898/ Thuiseten: een goudeerlijk soepje]
    Wie echt veel kookt, gaat in smaken denken. Alles wordt zorgvuldig gewassen en in de slaschaal geschikt. Nog wat gedroogde berenklauwzaadjes erbij? We proeven. Nee, te sterk. Roel voegt nog wel wat in azijn gemaakte voorjaarspronkridderzwammen toe. Die vond hij ergens in Diemen. Maar hij gaat ons niet aan onze neus hangen waar dat is. Het Parool NIENKE DENEKAMP 12 NOVEMBER 2012 [https://www.parool.nl/stadsgids/thuiseten-ideale-dag-om-wild-te-plukken~a3346656/ Thuiseten: Ideale dag om wild te plukken]