slak
mannelijk/vrouwelijk (de)/slɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (buikpotigen) een buikpotig weekdier () (ook soms (voeding))
- (metallurgie) een onoplosbaar steenachtig afvalproduct van oxides bij het smelten van metaal
- (figuurlijk), (informeel) iets wat of iemand die zich opvallend langzaam voortbeweegt, bijv. in een verkeerssituatieIk ben een slak in het verkeer.
Etymologie
* In de betekenis van ‘weekdier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- Als een slak op een teerton — Erg traag zijn
- Op alle slakken zout leggen — over alle onbelangrijke dingen/ kleinigheden commentaar hebben/klagen
Vertalingen
Engelssnail, snail, slag
Fransescargot, escargot, laitier
DuitsSchnecke, Gehäuseschnecke, Schnecke
Spaanscaracol, babosa, limaza
Italiaanschiocciola, lumaca
Portugeesescória
Russischшлак
Japansスラグ
Poolsślimak, ślimak, żużel
Zweedsslagg
Deenssnegl, slagge
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek