slaan

/slan/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging maken
    Hij sloeg hem met de vuist op de kin.
  2. het voorbrengen van geluid door ergens op te slaan
    De klok heeft al vier uur geslagen.
  3. erga (erga) ergens plotseling mee beginnen
    Het paard sloeg op hol.
  4. spel (spel) een stuk van de tegenstander door een bepaalde zet uitschakelen

Etymologie

* In de betekenis van ‘klappen, slagen toebrengen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • altijd op hetzelfde aanbeeld slaaniets heel vaak herhalen
  • iemand ergens mee om de oren slaaniemand iets verwijten
  • Alle hoop de bodem in (laten) slaandoor iets geen enkele hoop meer (laten) hebben
  • Als een tang op een varken slaaniets heeft totaal niets met een besproken onderwerp te maken
  • Bruggen slaan / bouwen
  • Dat slaat als een knots op een kangoeroeDat choqueert je
  • Dat slaat als een tang op een varkenDat slaat nergens op
  • De bodem ingeslagen / in geslagen

Vertalingen

Engelsbash, hit, toll
Duitsschlagen, schlagen, ausschlagen
Spaansbatir, golpear, pegar