slaan
/slan/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een klap uitdelen; met de arm of een vastgehouden voorwerp een snelle, rakende beweging makenHij sloeg hem met de vuist op de kin.
- het voorbrengen van geluid door ergens op te slaanDe klok heeft al vier uur geslagen.
- (erga) ergens plotseling mee beginnenHet paard sloeg op hol.
- (spel) een stuk van de tegenstander door een bepaalde zet uitschakelen
Etymologie
* In de betekenis van ‘klappen, slagen toebrengen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Uitdrukkingen
- altijd op hetzelfde aanbeeld slaan — iets heel vaak herhalen
- iemand ergens mee om de oren slaan — iemand iets verwijten
- Alle hoop de bodem in (laten) slaan — door iets geen enkele hoop meer (laten) hebben
- Als een tang op een varken slaan — iets heeft totaal niets met een besproken onderwerp te maken
- Bruggen slaan / bouwen
- Dat slaat als een knots op een kangoeroe — Dat choqueert je
- Dat slaat als een tang op een varken — Dat slaat nergens op
- De bodem ingeslagen / in geslagen
Vertalingen
Engelsbash, hit, toll
Duitsschlagen, schlagen, ausschlagen
Spaansbatir, golpear, pegar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek