skiën

/ˈskijə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, sport (inerg), (sport) zich over sneeuw voortbewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
    Er wordt daar 's winters veel geskied.
    De staat heeft alles: perfect warm weer, zee om te surfen, bergen om te skiën, wijnvelden en prachtige trails door de ongerepte natuur.
  2. erga, sport (erga), (sport) zich over sneeuw ergens heen bewegen op twee aan de voeten bevestigde lange latten
    We zijn van die hut naar de andere lift geskied.

Etymologie

*afgeleid van ski

Vertalingen

Engelsski
Fransskier
DuitsSki, Ski
Spaansesquiar
Italiaanssciare
Portugeesesquiar
Russischкататься на лыжах
Chinees滑雪
Japansスキー
Turkskaymak
Poolszjeżdżać na nartach
Zweedsskida, åka skidor